

Men moet zich Deventer in de late veertiende eeuw voorstellen
als een zeer bedrijvige stad. De IJssel en de nabijheid van de zee zorgden
er voor dat het een komen en gaan was van handelsschepen aan de Welle,
de kade van de stad. Op deze kade bevonden zich onder andere een vismarkt
en een houtmarkt. Het hout werd over de rivieren aangevoerd uit het zuiden
van het Rijk. Niet alleen via de waterwegen kwam er handelswaar
naar Deventer. De stad stond via allerlei handelsroutes over land in
verbinding met hanzesteden in het oosten en ook de Hollandse steden in
het westen. Deventer kooplui gingen zelf op pad maar ook veel buitenlandse
kooplieden trokken naar Deventer, waar vier maal per jaar een jaarmarkt
werd gehouden. Zo kwam het dat de Deventer kooplui zich al in 1249 hadden
verenigd in een koopmansgilde.
De stad kende niet alleen een koopmansgilde.
Zo waren er bijvoorbeeld ook een smedengilde en een vleeshouwersgilde.
Op last van het stadsbestuur woonden de smeden samen in één
straat; de Smedestrate. Natuurlijk werden er in Deventer ook
nog tal van andere ambachten bedreven. In tegenstelling tot wat vaak
verteld wordt, konden ook vrouwen zelfstandig een aantal ambachten uitoefenen.
Daarnaast is het ook heel waarschijnlijk dat veel vrouwen hun man meehielpen
met zijn werk.
Vanzelfsprekend kende een laat-middeleeuwse stad niet alleen kooplieden
en ambachtslieden maar ook mensen die een beroep uitoefden zoals sjouwer
in de haven, melkster of dienstmaagd.
Deventer Burgerscap streeft er naar een aantal van al
deze beroepen zo goed
mogelijk uit beelden. Zo werkt een aantal van ons aan een voorstelling
van een koopman(sgezin). En naast de rijkere kooplieden zetten wij ook
de eenvoudigere ambachtslieden neer, zoals wamboyssticker, gordelmaker,
koekenbakster en schilder.