

Hoe vaak Deventer in oorlog was valt te zien in de tijdlijn.
Zo waren tussen 1360 en 1370 de troepen van Deventer bijna elk jaar wel
ergens op veldtocht te vinden en soms zelfs op meerdere fronten tegelijkertijd.
Naar gelang de aard van de missie varieerde het aantal en het soort soldaten
dat uittrok. De Deventer stadsmilitie bestond uit drie, op te roepen,
onderdelen.
Ten eerste schutten,
de groep mannen in de stad die een lange afstandswapen hanteerden zoals
de armborst (kruisboog).
Zij waren georganiseerd in de oelde en de ionge
schutten.
Gezamenlijk oefenden zij tussen de twee stadsmuren bij de Brinkpoorten
en organiseerden ze ook wedstrijden waarbij men op de papegoy moest
schieten. Het aantal schutten lag rond de vijfendertig.
Naast de schutten waren er ook ruiters. Deze bestonden uit de rijkere mensen
in de stad die een paard bezaten welke zij in tijden van oorlog in dienst
van de stad moesten stellen. De niet-paardenbezitters in de stad moesten
meebetalen aan deze verplichting voor de paardenbezitters. De stad beschikte
zo over een ruiterij van rond de vijftig man wat niet onaanzienlijk was
in die tijd.
Het gros van de stadsmilitie werd natuurlijk gevormd door de burgers
die geen paard of armborst hadden, het gewone voetvolk dus. Zij werden uyt
ghebodet per
wijk, met aan het hoofd van elk wijkonderdeel de schepen, of de twee schepenen,
die uit die wijk kwam(en). Elk wijkonderdeel had waarschijnlijk ook zijn
eigen deel van de stadsmuur waar men over moest waken.
Afhankelijk van z'n welstand moest ieder burger op zijn minst een harnasche en
wapen van een bepaalde soort bezitten (hoe rijker, hoe beter).
Om er voor te zorgen dat men dat ook daadwerkelijk in huis had deden de
schepenen om de zoveel tijd een ommegang door de stad om dit te bezien.
Ook controleerden zij of de burgers de hoeveelheid rogge in huis hadden
die zij verplicht in opslag moesten hebben. Men wist immers nooit wanneer
Deventer belegerd en uitgehongerd ging worden.